Behandelduur met TKIs

De TKI-keuze die u vandaag maakt bij mRCC kan invloed hebben op de kostendruk van morgen. 

Neemt u dat al mee in uw overwegingen?

Immunotherapie (al dan niet in combinatie met een TKI) geeft een verdere verbetering in de uitkomsten bij mRCC en is dan ook eerstelijnsbehandeling van voorkeur.1,2 Een deel van de patiënten zal daar echter niet voor in aanmerking kunnen komen. Voor hen blijft VEGF-gerichte therapie aanbevolen alsook voor de tweedelijnsbehandeling.1,2

Voor deze groep patiënten is sunitinib een vertrouwde keuze. Het is de referentie voor effectiviteit in klinische studies, zoals die van de immunotherapieën.1-13 Er is meer dan 10 jaar ervaring mee opgedaan in een brede patiëntenpopulatie14 en therapieoptimalisatie* kan de verdraagbaarheid verbeteren met behoud van effectiviteit.15-17

Sunitinib zal vanaf begin 2022 generiek beschikbaar zijn in Nederland, waarmee u als arts eenvoudig de kostendruk bij mRCC positief kunt beïnvloeden. U kunt hier nu al op anticiperen. Een patiënt bij wie u nu sunitinib initieert, kan direct bij de beschikbaarheid van een generieke variant doorbehandeld worden met een kostenefficiënte TKI-behandeling. U hoeft dan niet te switchen van TKI.

Kortom, de keuze voor sunitinib vandaag is de keuze voor de vertrouwde effectieve TKI én voor kostenefficiëntie van uw TKI-behandeling in de nabije toekomst.

* Sutent dient altijd gestart te worden met 50 mg/dag in het 4/2 schema. Daarna kunt u uw patiënt indien nodig, op basis van de individuele veiligheid en tolerantie, maatwerk in de behandeling bieden. Flexibel doseren is mogelijk door een eerdere dosisonderbreking of door het aanpassen van de dosering. Dosisaanpassingen in stappen van 12,5 mg, dagdosis niet hoger dan 75 mg en niet lager dan 25 mg.

Referenties:

1. ESMO Guidelines Committee; Update. Escudier B, et al. Ann Oncol 2019;30;706-720,2. cieBOM. Medische Oncologie, maart 2020; e-publicatie, 3. Motzer RJ, et al. J Clin Oncol 2009;27:3584-3590, 4. Motzer RJ, et al. N Engl J Med 2013;369:722-731, 5. Choueiri TK, J Clin Oncol 2017;35(6):591-597, 6. Escudier B, et al. Ann Oncol 2016;27:v58-v68, 7. Motzer RJ, et al. J Clin Oncol 2014;32:2765-2772, 8. ClinicalTrials.gov. Identifier: NCT02231749. Accessed: July 2020, 9. ClinicalTrials.gov. Identifier: NCT02684006. Accessed: July 2020, 10. ClinicalTrials.gov. Identifier: NCT02420821. Accessed: July 2020, 11. ClinicalTrials.gov. Identifier: NCT02853331. Accessed: July 2020, 12. ClinicalTrials.gov. Identifier: NCT02811861. Accessed: July 2020, 13. ClinicalTrials.gov. Identifier: NCT03141177. Accessed: July 2020, 14. SUTENT® Summary of Product Characteristics. Pfizer, 15. Schmidinger M, et al. Cancer Invest 2010;28:856-864, 16. Schmidinger M, et al. Ther Adv Urol 2012;4:253-265, 17. Negrier S. Oncology 2012;82:189-196. 

Verkorte productinformatie Sutent (opgesteld: november 2019), De volledige productinformatie (SPC) is op aanvraag verkrijgbaar, 
Samenstelling: Sutent 12,5 mg, 25 mg of 50 mg harde capsules bevatten sunitinibmalaat overeenkomend met respectievelijk 12,5 mg, 25 mg of 50 mg sunitinib. Indicaties: Niet operatief te verwijderen en/of gemetastaseerde maligne gastro-intestinale stromatumoren (GIST) bij volwassenen na het falen van behandeling met imatinib als gevolg van resistentie of intolerantie; gevorderd/gemetastaseerd niercelcarcinoom (MRCC) bij volwassenen; niet operatief te verwijderen of gemetastaseerde goed gedifferentieerde neuro-endocriene tumoren van de pancreas (pancreasNET) met ziekteprogressie bij volwassenen. Farmacotherapeutische categorie: Antineoplastische middelen, proteïnekinaseremmers, ATC-code: L01XE04. Dosering: Voor GIST en MRCC is de aanbevolen dosering eenmaal daags oraal 50 mg, gedurende vier opeenvolgende weken, gevolgd door een rustperiode van twee weken (schema 4/2). Samen vormt dit een complete cyclus van zes weken. Voor pancreasNET is de aanbevolen dosering eenmaal daags oraal 37,5 mg zonder geprogrammeerde rustperiode. Contra-indicaties: Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor een van de hulpstoffen. Waarschuwingen en voorzorgen: Gelijktijdige toediening van krachtige CYP3A4-inductoren of van krachtige CYP3A4-remmers dient te worden vermeden. Huid- en weefselaandoeningen: Patiënten dienen te worden geïnformeerd dat depigmentatie van haar of huid kan optreden. Als verschijnselen of symptomen van Stevens- Johnson-syndroom (SJS), toxische epidermale necrolyse (TEN) of erythema multiforme aanwezig zijn, dient de behandeling met sunitinib gestopt te worden. Als de diagnose van SJS of TEN wordt bevestigd, dient de behandeling niet opnieuw gestart te worden. Bloedingen en tumorbloedingen: Een volledige telling van de bloedcellen en een lichamelijk onderzoek dienen onderdeel uit te maken van een routineonderzoek van bloedingen. Patiënten die een gelijktijdige behandeling met antistollingsmiddelen toegediend krijgen, dienen eventueel periodiek te worden gecontroleerd door middel van volledige telling van de bloedcellen, stollingsfactoren en lichamelijk onderzoek. Gastro-intestinale aandoeningen: Ondersteunende zorg bij gastro-intestinale bijwerkingen die dienen te worden behandeld, kan bestaan uit geneesmiddelen met anti-emetische, antidiarretische of zuurbindende eigenschappen. Hypertensie: Patiënten dienen gescreend te worden op hypertensie en hiervoor adequaat te worden behandeld. Tijdelijke stopzetting wordt aangeraden bij patiënten met een ernstige hypertensie die medisch niet onder controle kan worden gehouden. Hematologische aandoeningen: Bij patiënten dient aan het begin van elke behandelingscyclus een volledige telling van de bloedcellen te worden uitgevoerd. Hartaandoeningen: Sunitinib dient met voorzichtigheid te worden gebruikt bij patiënten met een risico op of een voorgeschiedenis van cardiovasculaire voorvallen. Bij het zich klinisch manifesteren van congestief hartfalen wordt beëindiging van de behandeling met sunitinib aanbevolen. QT-intervalverlenging: Sunitinib dient met voorzichtigheid te worden gebruikt bij patiënten met een bekende voorgeschiedenis van QT-intervalverlenging, bij patiënten die anti-aritmica gebruiken of geneesmiddelen die het QT-interval kunnen verlengen, of bij patiënten met een relevante reeds bestaande hartziekte, bradycardie of elektrolytstoornissen. Veneuze en arteriële trombo-embolische voorvallen: Gevallen van, soms fatale, veneuze en arteriële tromboembolische voorvallen werden gemeld bij met sunitinib behandelde patiënten. Aneurysma’s en arteriële dissecties: Voordat een behandeling wordt gestart, dient het risico op aneurysma en/of arteriële dissectie zorgvuldig te worden overwogen bij patiënten met risicofactoren zoals hypertensie of een voorgeschiedenis van aneurysma. Trombotische microangiopathie (TMA): De diagnose van TMA dient te worden overwogen indien hemolytische anemie, trombocytopenie, vermoeidheid, fluctuerende neurologische manifestatie, nierfunctiestoornis en koorts optreden. Het gebruik van sunitinib dient te worden gestopt bij patiënten die TMA ontwikkelen. Dergelijke patiënten dienen direct behandeld te worden. De effecten van TMA bleken reversibel nadat de behandeling was gestopt. Schildklierdisfunctie: Een nulmeting van de schildklierfunctie wordt aanbevolen bij alle patiënten. Patiënten met vooraf bestaande hypothyreoïdie of hyperthyreoïdie dienen volgens de standaard medische praktijk te worden behandeld vóór de behandeling met sunitinib wordt gestart. Tijdens behandeling dient routinematige controle van de schildklierfunctie iedere drie maanden uitgevoerd te worden. Bovendien dienen patiënten nauwlettend te worden gecontroleerd op verschijnselen of symptomen van schildklierdisfunctie gedurende de behandeling. Patiënten die schildklierdisfunctie ontwikkelen, dienen volgens de standaard medische praktijk te worden behandeld. Pancreatitis: Indien zich symptomen van pancreatitis voordoen, dienen patiënten te stoppen met het gebruik van sunitinib en te worden voorzien van adequate ondersteunende zorg. Levertoxiciteit: Voer leverfunctietests uit vóór de start van de behandeling, gedurende elke behandelcyclus en wanneer klinisch aangewezen. Indien zich verschijnselen of symptomen van leverfalen voordoen, dient het gebruik van sunitinib te worden gestopt en dient adequate ondersteunende zorg te worden verleend. Nierfunctie: Uitgangswaarde-urinalyse wordt aanbevolen, en patiënten dienen te worden gevolgd ten aanzien van de ontwikkeling of verergering van proteïnurie. Behandeling met sunitinib dient te worden gestaakt bij patiënten met nefrotisch syndroom. Fistel: Indien fistelvorming optreedt, dient de behandeling met sunitinib te worden onderbroken. Verstoorde wondheling: Een tijdelijke onderbreking van de behandeling wordt aanbevolen als voorzorgsmaatregel bij patiënten die grote chirurgische ingrepen ondergaan. Osteonecrose van de kaak: Er dient voorzichtigheid te worden betracht indien Sutent en intraveneuze bisfosfonaten gelijktijdig of opeenvolgend gebruikt worden. Vóór behandeling met Sutent dient een gebitsonderzoek en geschikte preventieve tandheelkunde overwogen te worden. Bij patiënten die eerder intraveneuze bisfosfonaten hebben ontvangen of nu nog ontvangen, dienen invasieve tandingrepen, indien mogelijk, vermeden te worden. Overgevoeligheid/angio-oedeem: Indien angio-oedeem optreedt als gevolg van overgevoeligheid, dient de behandeling met sunitinib te worden onderbroken en standaard medische zorg te worden verleend. Convulsies: Patiënten met convulsies en met verschijnselen of symptomen die wijzen op het reversibel posterieur leuko-encefalopathiesyndroom (RPLS) dienen medisch gecontroleerd te worden. Tijdelijke opschorting van de behandeling met sunitinib wordt aanbevolen; na herstel kan de behandeling worden hervat op basis van het oordeel van de behandelende arts. Tumorlysissyndroom: Patiënten met risicofactoren voor tumorlysissyndroom dienen nauwkeurig gevolgd te worden en behandeld op klinische indicatie. Infecties: De behandeling met sunitinib dient te worden gestaakt bij patiënten die necrotiserende fasciitis ontwikkelen en er dient onmiddellijk een adequate behandeling te worden gestart. Hypoglykemie: In het geval van symptomatische hypoglykemie dient de toediening van sunitinib tijdelijk te worden onderbroken. Bloedglucosespiegels bij diabetische patiënten dienen regelmatig te worden gecontroleerd. Bijwerkingen: Zeer vaak (1/10): neutropenie, trombocytopenie, anemie, leukopenie, hypothyreoïdie, verminderde eetlust, slapeloosheid, duizeligheid, hoofdpijn, dysgeusie, hypertensie, dyspnoe, bloedneus, hoesten, stomatitis, buikpijn, braken, diarree, dyspepsie, misselijkheid, constipatie, huidverkleuring, palmoplantair erytrodysesthesie-syndroom, huiduitslag, haarkleurveranderingen, droge huid, pijn in extremiteit, artralgie, rugpijn, slijmvliesontsteking, vermoeidheid, oedeem, pyrexie. Vaak (1/100, <1/10): virale infecties, respiratoire infecties, abces, schimmelinfecties, urineweginfectie, huidinfecties, sepsis, lymfopenie, dehydratie, hypoglykemie, depressie, perifere neuropathie, paresthesie, hypo-esthesie, hyperesthesie, periorbitaal oedeem, ooglidoedeem, toegenomen traanproductie, myocardischemie, ejectiefractie verlaagd, diepveneuze trombose, opvliegers, blozen, longembolie, pleurale effusie, hemoptyse, ademnood bij inspanning, orofaryngeale pijn, verstopte neus, droge neus, gastro-oesofageale reflux, dysfagie, gastro-intestinale bloeding, oesofagitis, abdominale distensie, abdominaal ongemak, rectale bloeding, bloedend tandvlees, zweertjes in de mond, proctalgie, cheilitis, hemorroïden, glossodynie, orale pijn, droge mond, flatulentie, oraal ongemak, oprisping, schilfering van de huid, huidreactie, eczeem, blaren, erytheem, alopecia,  acne, pruritus, hyperpigmentatie van de huid, lesie van de huid, hyperkeratose, dermatitis, nagelafwijking, pijn in de skeletspieren, spierspasmen, myalgie, spierzwakte, (acuut) nierfalen, chromaturie, proteïnurie, pijn (op de borst), griepachtige verschijnselen, koude rillingen, gewichtsverlies, witte bloedceltelling verlaagd, lipase verhoogd, plaatjestelling verlaagd, hemoglobine verlaagd, amylase verhoogd, ASAT verhoogd, ALAT verhoogd, bloed creatinine verhoogd, bloeddruk verhoogd, bloedurinezuur verhoogd. Soms (1/1.000, <1/100): necrotiserende fasciitis, bacteriële infecties, pancytopenie, overgevoeligheid, hyperthyreoïdie, hersenbloeding, cerebrovasculair accident, voorbijgaande ischemische aanval, (congestief) hartfalen, myocardinfarct, cardiomyopathie, pericardiale effusie, QT verlengd op elektrocardiogram, tumorbloeding, longbloeding, respiratoir falen, gastro-intestinale perforatie, pancreatitis, anale fistel, colitis, leverfalen, cholecystitis, abnormale leverfunctie, osteonecrose van de kaak, fistel, urinewegbloeding, verstoorde genezing, bloed creatininefosfokinase verhoogd, bloed thyreoïdstimulerend hormoon verhoogd. Zelden (≥1/10.000, <1/1.000): trombotische microangiopathie, angio-oedeem, thyreoïditis, tumorlysissyndroom, posterieur reversibel encefalopathie-syndroom, linkerventrikelfalen, Torsade de pointes, hepatitis, erythema multiforme, Stevens-Johnson-syndroom, pyoderma gangrenosum, toxische epidermale necrolyse, rabdomyolyse, myopathie, nefrotisch syndroom. Niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald): aneurysma’s en arteriële dissecties. Afleveringsstatus: UR. Registratienummers: EU/1/06/347/004-006. Vergoeding en prijzen: De kosten voor Sutent zijn declarabel voor ziekenhuizen via de add-on regeling. Voor prijzen wordt verwezen naar de Z-Index taxe. Voor medische informatie over dit product belt u met 0800-MEDINFO (6334636). Registratiehouder: Pfizer Europe MA EEIG, Boulevard de la Plaine 17, 1050 Brussel, België. Neem voor correspondentie en inlichtingen contact op met de lokale vertegenwoordiger: Pfizer bv, Postbus 37, 2900 AA Capelle a/d IJssel

PP-SUT-NLD-0268